5 Het begrip ‘concept’

Het begrip concept is bekend in de filosofie en de taalkunde. In beide disciplines echter wordt het begrip geïnterpreteerd vanuit het realistische wereldbeeld. In dit hoofdstuk laat ik opnieuw zien waarom dat niet houdbaar is en welke gevolgen dat moet hebben voor de inhoud van het begrip.

5.1. De unieke homo sapiens

Hoewel het voor de hand lijkt te liggen dat filosofen zo nauwkeurig mogelijk aangeven wat ze met hun begrippen en ideeën bedoelen, blinken veel filosofische publicaties niet uit in exactheid. Ik gaf aan dat ik een fundamenteel ander begrip concept hanteer dan gebruikelijk in de filosofie. In dit en het volgende hoofdstuk introduceer ik de door mij gebruikte begrippen eerst op een zo begrijpelijk mogelijke wijze, om vervolgens in hoofdstuk 7 dezelfde oefening over te doen, maar dan zo nauwkeurig en expliciet mogelijk. Het nadeel van die laatste benadering is dat die teksten lastiger te lezen zijn. Om die reden bouw ik dit en het volgende hoofdstuk enigszins losjes op, maar wel zodanig dat het voldoende is om te begrijpen wat ik met het begrip concept bedoel. De definities in hoofdstuk 7 kunnen dan zonder problemen worden overgeslagen door degenen die geen affiniteit hebben met definities en logische notaties.

De mens is een denkend wezen, in tegenstelling tot de dieren. Door die eigenschap staat hij, zo zegt men, ver boven die dieren. Denken en communiceren doet hij met behulp van taal, het bezit daarvan is ook een voor de mens specifieke eigenschap. Wat ons mensen waarschijnlijk ook nog van de dieren onderscheidt is het hebben van een bewustzijn en een zelfbewustzijn. Veel mensen voegen daar als onderscheidend kenmerk ook nog de ziel aan toe, hoewel niet geheel duidelijk is wat die precies voorstelt.

Van deze zaken zijn we zodanig onder de indruk dat we de neiging hebben de mens geheel te zien als rationeel denkend wezen, als de homo sapiens, de verstandige mens, een benaderingswijze waarvan de filosofie alle sporen draagt. Die houdt zich immers vooral bezig met het kennen en het zijn (in de epistemologie en de ontologie), het objectieve oordeel over goed en kwaad (in de ethiek) en het objectieve oordeel over wat mooi, wat kunst is (in de esthetiek).

De genetische wetenschap is inmiddels zo ver ontwikkeld dat met redelijke zekerheid vastgesteld kan worden dat de genetische code van de mens voor meer dan 99,6 % overeen komt met die van aapmensen, zoals de voorouder van de homo sapiens genoemd wordt. Hier doet zich iets vreemds voor. Terwijl we de essentie van het menselijk wezen leggen in het gebruik van taal, het rationeel denken, het (zelf)bewustzijn en onze ziel, blijken we biologisch vrijwel een kopie te zijn van soorten die zulke mooie eigenschappen volledig lijken te ontberen. Dit roept de vraag op of we als mens de eigenschappen die ons onderscheiden van de dieren niet overschatten.

Ik zal in latere hoofdstukken op deze vraag een antwoord geven, maar vind het hoe dan ook een verkeerd uitgangspunt om, als we willen begrijpen hoe de menselijke concepten functioneren, er van uit te gaan dat het uitsluitend om specifiek menselijke eigenschappen gaat. In dit hoofdstuk ontwikkel ik het begrip ‘concept’ vanuit introspectie, dus vanuit alles wat ik in mijzelf ervaar, zonder me te beperken tot specifiek menselijke verschijnselen. Daarin betrek ik gedachten, redeneringen, spontane ingevingen, gevoelens, emoties, zintuiglijke ervaringen, fantasieën, dromen, reflexen en zo voorts. Of al deze aspecten in de gebruikelijke filosofieën wel of niet behandeld worden laat ik buiten beschouwing, ik wil een zo compleet mogelijk beeld krijgen van het functioneren van de geest, zij het van binnen uit. Zodra het begrip ‘concept’ gedefinieerd is blijkt vanzelf wel of, en zo ja in welke mate het uitsluitend toepasselijk is voor mensen of misschien evenzeer voor bepaalde diersoorten.

5.2. Het – foute – begrip ‘concept’ in de filosofie

In de vorige hoofdstukken is duidelijk geworden dat ik me verzet tegen het realistische wereld- en mensbeeld. Bij het introduceren van het begrip ‘concept’ komt dat ook weer naar voren. Een begrip dat, zoals zal blijken, in de algemeen geaccepteerde filosofie en taalkunde een bekende term is die past in een realistisch wereldbeeld.

In de inleiding heb ik opgemerkt dat d’Abélard en enkele van zijn tijdgenoten die in de scholastische periode in de 11e en 12e eeuw het conceptualisme aanhingen als karakterisering van de universalia, naast twee andere stromingen, het realisme en het nominalisme. Ook heb ik aangegeven dat in mijn opvatting deze conceptualisten hun werk maar half deden: universalia werden gezien als producten van de geest, terwijl ze tegelijkertijd ook aan een objectieve werkelijkheid moesten refereren.

Ik hanteer het begrip ‘concept’, maar met twee wijzigingen ten opzichte van d’Abélard. Ten eerste beperk ik de toepassing van het begrip niet tot de universalia maar beschouw ik het als de universele bouwsteen van het gehele cognitieve systeem. Ten tweede ontbreekt bij mij elke claim dat concepten refereren aan een objectieve werkelijkheid. We zullen zien dat veel concepten weliswaar overeen komen met zaken die we de werkelijkheid noemen, maar dat er daarnaast een zeer groot aantal concepten bestaat die geen relatie hebben met enige objectieve, buiten ons staande werkelijkheid.

De wijze waarop ik het begrip concept inhoud geef wijkt, zoals gesteld, ook af van de betekenis die het heeft in de moderne filosofie. Daar spreekt men vooral over zogenaamde lexicale concepten, zoals bijvoorbeeld, aansluitend bij het vorige hoofdstuk, het concept ‘stoel’. Een concept is, zo leert de filosofie, een begrip dat we allen gemeenschappelijk bezitten en dat we in onze jeugd hebben aangeleerd gekregen door onze ouders, leraren en anderen in onze omgeving, die allen hetzelfde concept ook bezaten. Dat zou ook gelden voor mij: sinds ik het concept ‘stoel’ geleerd heb is dat begrip mijn onveranderlijke bezit, ik weet sindsdien wat een stoel is en zolang ik niet dement word zal de betekenis voor mij gelijk blijven.

Concepten worden gewoonlijk dus verbonden met woorden. Filosofen stellen dat binnen het Nederlandse taalgebied een directe relatie bestaat tussen het concept ‘stoel’ en het woord STOEL[1] dat we voor het concept gebruiken, zoals in het Engelse taalgebied het woord CHAIR, en zo voort. Daarnaast is er een relatie met de werkelijke, fysieke stoelen in de wereld. Ook hebben onze concepten voor veel filosofen een structuur. Zo is ‘stoel’ een onderklasse van het concept ‘meubel’ en heeft het zelf als onderklassen de concepten ‘poot’, ‘zitting’, ‘rugleuning’, ‘armleuning’ en ‘bekleding’.
Het begrip ‘concepten’ staat in de filosofie dus voor statische toestanden in onze geest, gekoppeld aan woorden, gekoppeld aan fysieke objecten en samengesteld uit onderklassen die overeen komen met de onderdelen van de betreffende objecten. Bovendien, misschien de belangrijkste eigenschap, delen alle leden van een (taal)gemeenschap dezelfde concepten.

Hoe algemeen geaccepteerd deze interpretatie ook moge zijn, hij komt niet overeen met de wijze waarop de geest functioneert en is fundamenteel onjuist. Het begrip ‘concept’ zoals ik het hier zal definiëren komt voort uit introspectie en blijkt op alle van de genoemde aspecten af te wijken van wat in de filosofie gebruikelijk is:

  • Een concept is geen statisch maar een dynamisch begrip. Concepten ontstaan, veranderen voortdurend en kunnen ook weer verdwijnen.
  • Veel concepten zijn niet noodzakelijk aan woorden of namen gekoppeld en voor zover dat wel het geval is zijn die woorden of namen zelf onderdeel van het concept. 
  • Een concept is slechts in bepaalde gevallen gekoppeld aan een object in wat we de – materiële – werkelijkheid noemen
  • Een concept kan niet geanalyseerd worden in onderklassen. 
  • Een concept is een individueel verschijnsel: twee mensen kunnen niet precies hetzelfde concept bezitten.


Wat het laatste punt betreft: doordat ik uit ga van introspectie ontstaat niet een algemeen gedeeld maar een individueel begrip waarvan ik a priori niet weet in welke mate het gedeeld wordt door anderen, ook niet in dezelfde (taal)gemeenschap. In latere hoofdstukken zal niettemin blijken dat binnen een cultuur of taalgroep toch een flinke mate van intersubjectiviteit bestaat, echter niet dankzij de intrinsieke aard van concepten maar door autonoom menselijk gedrag.

Het op deze wijze gedefinieerde begrip ‘concept’ is relatief, in tegenstelling tot de objectieve claim in de gebruikelijke filosofie die, zoals we hierna zullen zien, ook in de taalkunde tot uitdrukking komt.

 
5.3. De semiotische driehoek

In de traditionele filosofische benadering zien we drie elementen: het concept, het woord en het fysieke object. Ook in de taalkunde wordt dat onderscheid gemaakt en spreekt men over de semiotische driehoek, in 1923 voor het eerst geïntroduceerd door de taalkundigen Ogden en Richards.

In de figuur staan de meest bekende Nederlandse termen, met daaronder tussen haakjes de namen die ik er voor gebruik. In de middeleeuwen gebruikte men de termen vox, conceptus en res.

Diverse taalkundigen en filosofen hebben overeenkomstige termen gebruikt, waarvan Umberto Eco[2] een aantal laat zien in de volgende figuur.

De driehoek kent meerdere interpretaties en wordt niet alleen toegepast op symbolen als woorden en zinnen maar ook op hele teksten. Voor de meest elementaire interpretatie citeer ik een passage uit een recent studieboek: Cognitieve inleiding tot taal en taalwetenschap van René Dirven en Marjolein Verspoor[3], pg.26.

“Om het begrip “appel” bij je gesprekspartner op te roepen kan je drie soorten tekens gebruiken. Je kan met je vinger naar de appel wijzen (indexalistisch teken), je kan er een prentje van tonen of tekenen (iconisch teken) of je kan de klankenreeks /’ap?l’/ uitspreken (symbolisch teken). De vraag is nu hoe bij een symbolisch teken als appel het klankbeeld of het schriftbeeld verband kan hebben met het voorwerp dat men ziet. Het woord is natuurlijk niet het ding zelf, maar slechts een symbool voor het ding. Een symbolisch teken bestaat uit drie componenten: er is een bepaalde vorm die een begrip (of betekenis) symboliseert en dit begrip heeft betrekking op een categorie van entiteiten in de begrips- en ervaringswereld. Deze verhouding tussen de drie genoemde elementen (vorm, begrip (of betekenis) en entiteiten) vormen de semiotische driehoek. (….)

Hoewel er voor deze semiotische driehoek al tientallen interpretaties gegeven werden sinds Ogden en Richards hem in 1923 introduceerden, kan men de hier volgende voorstelling van zaken als een cognitieve interpretatie opvatten. Er is een direct, hoewel conventioneel, verband tussen de vorm (A) van een woord en zijn betekenis(sen) (B), maar ook tussen de betekenis of het talige concept (B) en de entiteit uit de ervaringswereld (C); maar er is slechts een indirect verband tussen de vorm van een symbolisch teken A en de entiteit uit de ervaringswereld C. Daarom wordt hier ook een stippellijn gebruikt. Alleen bij een iconisch teken is het verband tussen het teken A en de entiteit uit de ervaringswereld C directer.

Deze semiotische driehoek is een verdere uitwerking van de visie van de grondlegger van de moderne taalwetenschap, de Zwitser Ferdinand de Saussure. Hij introduceerde de twee termen signifiant ‘betekenaar’ en signifie ‘het betekende’. Deze termen worden hier vanaf het begin als synoniemen van woord(vorm) en betekenis gebruikt. (….)

Entiteiten zijn alle mogelijke leden van alle mogelijke soorten categorieën, dus zowel personen, zaken, handelingen, gebeurtenissen, toestanden, eigenschappen enz. Idealiter bestaan ze ook echt in onze ervaringswereld, maar ze kunnen ook louter als fantasie in onze begripswereld voorkomen zoals bijvoorbeeld kabouters, zeemeer-minnen, eenhoorns, reuzen, spoken en geesten”.

Tot zover het citaat. De schrijvers zijn zich kennelijk niet bewust dat de laatste zin het fundamentele probleem van de driehoek toont. De entiteiten bestaan idealiter echt in onze ervaringswereld, stellen ze. Maar het is niet alleen idealiter zo, het is ook noodzakelijk dat ze in die wereld bestaan, voor alle andere entiteiten heeft de driehoek namelijk geen betekenis. Je kunt je voorstellen dat ons begrip ‘stoel’ naar een echte stoel verwijst, maar waarnaar zou een begrip als ‘spook’ moeten verwijzen? Naar de entiteit ‘spook’ in onze begripswereld, zoals de schrijvers het formuleren? Maar dan verwijst het naar zichzelf, de mens kent nu eenmaal geen begrip ‘spook’ buiten zijn eigen begripswereld en juist de entiteiten die met de top van de driehoek aangegeven worden zijn typisch de entiteiten in onze begripswereld. De bovenste punt van de driehoek verwijst in dat geval dus naar zichzelf, wat geen betekenis heeft, terwijl de rechter punt ontbreekt, er is dan dus geen sprake meer van een driehoek.

Het probleem doet zich echter niet alleen voor bij fantasiebegrippen. Ook wiskundige en logische begrippen als ‘getallen’ en ‘proposities’ verwijzen niet naar iets in de ervaringswereld. En bij algemene termen doet zich al hetzelfde probleem voor. Als iemand in mijn aanwezigheid de klankenreeks [’ap?l’] uitspreekt of als ik het geschreven woord “appel” lees wekt dat in mijn geest een bepaalde toestand op. Ik vorm mij bijvoorbeeld een beeld van een appel of ben me bewust van de smaak, dergelijke dingen komen in mijn geest naar boven. Dat geheel noem ik mijn begrip ‘appel’. Tegelijkertijd kan er zich een echte appel in mijn buurt bevinden en kan ik me er bewust van zijn dat mijn begrip ‘appel’ feitelijk betrekking heeft op die concrete appel in mijn ervaringswereld. Dat is geheel overeenkomstig de semiotische driehoek.

Er is echter verschil tussen zinnen als “Ik hou van appels” en “Die appel is rot”. In tegenstelling tot de tweede zin refereert de eerste aan geen enkele concrete appel, terwijl het woord “appels” bij de toehoorder wel degelijk het begrip ‘appels’ oproept.
De relatie tussen een woord en het bijpassende begrip, tussen de linkerpunt en de top van de driehoek is evident, aangenomen dat het woord bekend is en de toehoorder luistert. Zodra het woord uitgesproken of gelezen wordt, zal het in de geest van de toehoorder of lezer het bijbehorende begrip doen opkomen. Omgekeerd, als iemand zich een bepaald begrip voor de geest haalt zal het bijbehorende woord vaak ook makkelijk naar boven komen.

Daarentegen is de relatie tussen een begrip en een fysiek ding waarnaar het verwijst van een andere aard. In de figuur van de driehoek hiervoor wordt die relatie omschreven als “heeft betrekking op”. In de zin “die appel is rot” zal het duidelijk zijn dat de spreker op een bepaalde, concreet aanwezige appel doelt. Maar als ik zeg “ik hou van appels” heb ik geen verzameling concrete appels op het oog. Men zou kunnen veronderstellen dat ik bedoel dat ik alle appels in de wereld lekker vind. Dat valt echter niet vol te houden, alle appels in de wereld kan ik immers niet kennen. Het zou kunnen gebeuren dat ik een keer een exotische appelsoort proef die ik helemaal niet lekker vind. Men kan dus verdedigen dat het specifieke begrip ‘appel’ betrekking heeft op een element in de werkelijkheid, maar voor het algemene begrip ‘appel’ ontbreekt een dergelijk element. Er is wel het algemene begrip ‘appels’, maar er zijn geen algemene appels.

De conclusie ligt voor de hand. De relatie tussen symbool en begrip is voor alle soorten begrippen gelijk, ik zie geen enkele aanwijzing dat de menselijke geest daartussen functioneel onderscheid maakt. Het linker been van de driehoek is derhalve algemeen geldig. Maar voor de rechter zijde ligt dat anders. Als woorden alleen betrekking konden hebben op dingen in wat men de werkelijkheid noemt zou in de semiotische driehoek de relatie tussen het begrip en dat waarvoor het staat betekenis kunnen hebben. Omdat we echter net zo goed symbolen gebruiken voor algemene, abstracte en fantasiebegrippen die niet naar elementen in de werkelijkheid verwijzen maar slechts naar zichzelf, kan de driehoek niet algemeen geldig zijn. De conclusie moet dus luiden dat de semiotische driehoek geen adequaat model voor de werking van de menselijke geest is.

Mogelijk besefte Ferdinand de Saussure dit probleem. Hoe dan ook, volgens hem lag de kwestie van deverwijzing buiten het gezichtveld van de linguïst. Terecht, de later ontwikkelde semiotische driehoek vertegenwoordigde geen vooruitgang, hij blijkt slechts een fundamentele fout. 

Ik kies een andere weg. Woorden of symbolen hebben ook voor mij een relatie met de bijbehorende concepten, maar zoals ik hierna het begrip concept zal definiëren blijkt het bijbehorende symbool zelf deel uit te maken van het concept en zal de werkelijkheid tevoorschijn komen als één van de vele menselijke concepten. Van de driehoek is dan niets over gebleven.

———-

[1] In de filosofie is het gebruikelijk om concepten met hoofdletters aan te duiden. Om het verschil te accentueren gebruik ik een notatie tussen apostroffen.

[2] Umberto Eco (1932 – 2016) was een Italiaans schrijver en semioticus. De weergegeven driehoek is uit Segno, 1973, vertaald in het Duits als Zeichen. Einführung in einen Begriff und seine Geschichte

[3] 1999 by Acco ISBN 90-334-4285-X