Header boek Ne

 

11 Concepten versterken en creëren

In het vorige hoofdstuk werd duidelijk dat concepten verdwijnen als ze niet versterkt worden. De mens is daarom permanent bezig met het versterken van zijn bestaande concepten en het creëren van nieuwe. Onze geest is een conceptenmachine die, net als ons hart, sneller of langzamer werkt, maar altijd actief is.

 

11.1. Recapitulatie

Terwille van de duidelijkheid geef ik een korte samenvatting van de vorige hoofdstukken.

  • Behalve concrete herinneringen bevat m'n geest ook typen, basis-elementen van de dingen die waargenomen heb
  • M’n geest bevat een zeer groot aantal onderscheiden typen die niet onafhankelijk van elkaar bestaan, maar groepsgewijs meer of minder sterk met elkaar verbonden zijn. Zo'n groep met elkaar verbonden typen is een concept.
  • Over bewuste concepten kan men spreken, schrijven, denken, men kan ze een naam geven. Naast alle bewuste concepten die overeenkomen met begrippen bezit men een groot aantal motorische en onbewuste concepten.
  • Als een bepaald type zich op de één of andere manier aan mij voor doet, zeg ik dat dat type geactualiseerd wordt.
  • De binding tussen een aantal typen die tot een concept, behoren heeft tot gevolg dat zodra één of meer typen ervan geactualiseerd wordt het concept gerealiseerd kan worden.
  • Een type kan geactualiseerd worden door zintuiglijke indrukken, bijvoorbeeld dat ik een ding zie of hoor, maar ook door niet zintuiglijke, bijvoorbeeld als ik ergens aan denk.
  • De realisatie van het concept is altijd niet-zintuiglijk, iets wat in de geest plaats vindt.
  • Er zijn materiële concepten zoals een boom of jouw schoen, maar ook niet-materiële zoals de tweede wereldoorlog of de stelling van Pythagoras.
  • Een concept zal in de loop der tijd verzwakken, aan kracht verliezen, als het in die tijd nooit gerealiseerd wordt.
  • De mate van verzwakking hangt af van de tijd gedurende het niet meer gerealiseerd is, maar ook van kracht, de scherpte en de complexiteit van het concept.

11.2 Het versterken van concepten 

11.2.1 Gedurende zijn bewuste leven is men voortdurend gericht op en bezig met het versterken van zijn concepten


Zo geformuleerd lijkt het alsof dat versterken van onze concepten het enige doel in ons leven zou zijn, wat natuurlijk niet het geval is. Ik onderneem immers de gehele dag acties die op geheel andere doelen gericht zijn, hetzij op de korte dan wel op een lange termijn. Ik spaar geld voor de aankoop van een auto, koop eten om een maaltijd te bereiden, doe m’n kleren in de was om morgen weer schone te hebben, loop naar het station om een trein te halen. Nooit heb ik bewust de intentie om enig concept te versterken. Toch kan het gestelde gehandhaafd worden. Immers, bij alles wat men bewust doet, met welk doel dan ook, maakt men gebruik van zijn concepten. Daarnaast voert men overigens ook veel automatische handelingen uit, een verschijnsel ik vooralsnog buiten beschouwing laat.

Stel dat ik op een bepaald moment honger voel en iets wil eten. Dat gaat niet vanzelf. Ik moet concrete ‘eet-concepten’ realiseren, bijvoorbeeld denken aan het concept ‘broodje hamburger’. Dat concept is verbonden met verschillende wijzen waarop ik een broodje hamburger kan verkrijgen. Naar een hamburgerrestaurant gaan bijvoorbeeld. Of een hamburger uit de ijskast halen, die zelf in de koekenpan verwarmen en vervolgens op een broodje leg met sla, ketchup en mayonaise. Ook kan ik een kant en klaar hamburger kopen in de supermarkt en die even in de magnetronoven leggen. Wat ik ook wil doen, mijn geest moet allerlei concepten tevoorschijn halen om alleen al deze gedachten te kunnen hebben, zoals:
Hamburgerrestaurant
Hamburger
IJskast
Uithalen
Koekenpan
Verwarmen
Broodje
Sla
Ketchup
Mayonaise
Kant en klaar
Kopen
Supermarkt
Magnetronoven
Leggen

Als ik vervolgens één van deze ideeën uitvoer, dan moet ik bijvoorbeeld naar de ijskast lopen en er een vorm in zoeken die ik herken als hamburger. Zie ik die, dan is die ervaring een versterking van m’n concept ‘hamburger’, maar waarschijnlijk ook van het concept ‘er ligt een hamburger in m’n koelkast’. Dit laatste is een concept dat zich gevormd heeft toen ik de laatste keer hamburgers in de koelkast legde. Overigens zou ik zonder dat concept natuurlijk ook willekeurig in de koelkast kunnen kijken of er toevallig iets in ligt dat ik als hamburger herken. Om vervolgens werkelijk een broodje hamburger te kunnen eten voer ik een hele serie handelingen uit. Deze keten van handelingen gaat gepaard met een permanente keten van gerealiseerde concepten die elk weer nieuwe concepten doen realiseren. En elke realisatie houdt op zijn beurt een versterking in van het betreffende concept.

Hamburger namaakHet kan ook anders lopen. Stel ik neem een hamburger uit m’n ijskast en die blijkt verrassenderwijs een plastic etalagemodel te zijn. Dat heb ik nog niet eerder gezien, het is in eerste instantie niet een directe realisatie van mijn concept. Ik kijk er ‘ns goed naar, bevoel het, misschien ruik ik er aan, sla ik het op tafel om te horen hoe dat klinkt, knijp er in om te voelen hoe hard het is. Ik constateer dat het uiterlijk verraderlijk veel op een hamburger lijkt, maar er verder weinig of niets mee gemeen heeft. Als ik het een naam moest geven zou ik het een plastic imitatiehamburger noemen. Conceptueel is dan het volgende gebeurd: mijn bestaande concept ‘hamburger’ is onverwacht niet gerealiseerd, er is daarentegen een nieuw concept gecreëerd met een aantal bekende typen, zoals het uiterlijk, die wel behoorden tot mijn concept ‘hamburger’, maar ook met een aantal typen (hard, stinkt naar plastic, klinkt hol, is licht, oneetbaar) die niet bij het concept ‘hamburger’ passen. Omdat ik een echte hamburger in de koelkast zocht trekt dit namaakmodel m’n aandacht, ik richt me op verschillende aspecten = typen (consistentie, geur, geluid, gewicht) en door die bewuste aandacht worden deze typen in mijn geest verbonden tot het nieuwe concept. Als ik er later aan denk komen die typen vanzelf weer tevoorschijn, ik kan dan zeggen dat ik mij die plastic imitatiehamburger herinner, maar ook dat ik me de verschillende aspecten (= typen) ervan herinner en kan herkennen. Zo heb ik dankzij een nieuwe ervaring waar ik me bewust op richtte in mijn geest een nieuw concept gecreëerd.

Het voorbeeld van de imitatiehamburger is verzonnen, maar een overeenkomstige geval heeft zich enkele jaren geleden in Nederland feitelijk voorgedaan toen een supermarktketen het nodig vond om in elke verpakking verse mosselen een plastic imitatie mosselschelp mee te leveren. Die was bedoeld om de mosselen keurig uit hun schelp te grijpen, maar door de meeste klanten als volstrekt overbodig ervaren, mosselen eet men immers gewoon met de schelp die je als eerste gebruikt! De heftigheid waarmee over deze als overbodig ervaren toevoeging geklaagd werd, wat tot een snelle beëindiging van de actie door de supermarkt leidde, gaf aan dat de ervaring van een element dat zich als het concept ‘mossel’ voordeed maar zich ontpopte tot iets als een concept ‘imitatiemossel’ niet alleen als overbodig ervaren werd maar kennelijk ook negatieve gevoelens opriep.

Het voorbeeld van de hamburger maakt twee zaken duidelijk:

11.2.2 Elke activiteit die we ondernemen gaat gepaard met de realisatie van een keten van concepten

 

11.2.3 Als zich een combinatie van typen actualiseert die onze geest niet kan thuisbrengen in een voor ons bestaand concept (= een begrip dat we kennen), zijn we geneigd om onze aandacht daarop te richten en een nieuw concept te creëren.

 

11.3 De creatie van nieuwe concepten

Onze dagelijkse activiteiten leiden niet alleen tot versterking van bestaande concepten maar, zoals in het geval van de plastic hamburger, ook frequent tot ervaringen die we niet in enig ons bekend concept thuis kunnen brengen. Dat verschijnsel passeert regelmatig zonder dat we er bijzondere aandacht aan besteden, maar het komt ook vaak voor dat onbekende ervaringen onze aandacht juist weten te vangen en dan tot de vorming van een nieuwe concepten leiden.

Als ik op het strand langs de vloedlijn loop ervaar ik veel schelpen. Ik zie ze, ik voel ze als ik er over loop en hoor ze dan ook. Als ik geen gespecialiseerd schelpenkenner ben zal m’n aandacht in het algemeen niet naar enige schelp in het bijzonder gaan, maar soms, als ik toch iets beter kijk zie ik schelpen die ik allemaal herken tot het moment dat me een bijzondere schelpvorm opvalt die me niet bekend voor komt. Ik raap het ding op, bekijk het van alle kanten. Wel is duidelijk dat het een schelp is, maar deze vorm ken ik niet. Ik besluit hem mee naar huis te nemen om verder uit te zoeken wat het precies is. Op dat moment heb ik al een nieuw concept gecreëerd, dat scherper en krachtiger zal worden als ik er meer gegevens over opzoek of er met anderen over spreek.

We hoeven niet naar het strand om nieuwe concepten te creëren, dat verschijnsel treedt in het dagelijks leven voortdurend op.

Ik lees in een folder van een supermarkt een aanbieding en neem me voor die morgen te gaan kopen
Er rijdt een roze auto voorbij
Ik zie een vrouw in een lange jurk lopen met een klein bibberend hondje
Ik zie een nieuwe winkel in het winkelcentrum
Ik hoor een nieuwe muziekhit
Ik maak een aanrijding tussen een auto en een fiets mee

In het dagelijks leven creëren we voortdurend nieuwe concepten doordat zich zeer frequent indrukken aan ons voor doen die niet in een ons bekend concept passen. Als zo'n ervaring voldoende onze aandacht trekt is het de autonome werking van onze geest om een nieuw concept te creëren. Het gevolg daarvan zou kunnen zijn dat de hoeveelheid concepten die we bezitten voortdurend toeneemt, tenzij tegelijk evenveel bestaande concepten verdwijnen. Misschien is dat ook wel zo, vanuit introspectie kan ik daarover geen informatie verkrijgen, ik heb geen ingebouwde teller die de stand kan bijhouden. Tegelijk is wel duidelijk dat veel nieuwe concepten slechts een korte levensduur hebben. Concepten zijn bij creatie vaak al zwak doordat we er niet al te veel aandacht aan schenken en als er geen aanleiding is om er meer aandacht aan te besteden wordt zo’n concept daarna niet meer gerealiseerd en verzwakt het tamelijk snel verder. Als ik bijvoorbeeld een auto met een bijzondere reclame zie trekt dat even m’n aandacht, ik ben me bewust van welk product er op aangeprezen wordt, maar een uur later weet ik al niet meer hoe de reclame er uit zag en op welk product het betrekking had.

Een nieuw concept kan echter ook een lange levensduur hebben. Als ik een nieuwe fauteuil koop en die in m’n huiskamer zet zal ik hem alle dagen zien, er op zitten, er een boek in lezen of televisie kijken. Dagelijks zal het concept gerealiseerd worden, dus versterkt. Zelfs als ik de fauteuil op een dag weg doe zal het concept nog lange tijd blijven bestaan, zeker als ik hem later nog op foto’s of in filmpjes tegen kom.

In het bijzonder doet creatie van nieuwe concepten zich voor als we leren. Alle kennis die we bij leren en studeren op doen leidt tot de vorming van nieuwe concepten met de uitdrukkelijke bedoeling om ze een lang leven te schenken, wat helaas niet altijd lukt. In het begin veel herhalen en daarna veel oefenen leidt tot regelmatige realisatie, dus tot versterking van het geleerde concept en dus tot een langere levensduur. Maar concepten die na hun ontstaan nog maar weinig gerealiseerd worden zullen verzwakken en een relatief korte levensduur hebben. Ik herinner me dat ik in mijn studietijd voor het vak Wiskundige Analyse bij een tentamen een bewijs van een wiskundige stelling te moest kunnen reproduceren dat in de syllabus drie of vier bladzijden besloeg, betreffende de introductie van de reële getallen, meen ik. Ik heb destijds alle deductieve stappen netjes uit het hoofd geleerd en was gefascineerd door het vernuft van het bewijs. Doordat ik in dat vak niet verder gegaan ben heeft zich nooit meer enige realisatie van de nieuwe concepten voor gedaan, met als gevolg dat het bewijs als geheel nog vaag in mijn herinnering is, maar zowel de naam van de stelling als datgene dat bewezen moest worden en zeker ook alle bewijsstappen mij totaal zijn ontschoten. Als ik daarentegen met behulp van de gebruiksaanwijzing leer hoe mijn nieuwe koffiemachine werkt en hoe ik hem moet onderhouden, komt het gebruik van die kennis zo vaak terug dat die stevig verankerd blijft in m’n geest. Tot de koffiemachine defect is en ik een nieuwe koop, dan verzwakken dergelijke concepten waarschijnlijk ook weer snel.

11.4 De conceptenmachine

We hebben nu gezien dat we gedurende ons gehele bewuste leven bij voortduring worden geconfronteerd met zowel zintuiglijke als niet-zintuiglijke ervaringen. Ik permitteer me de ‘we’-vorm, vooruitlopend op hoofdstuk 13 waarin ik zal argumenteren hoe de stap uit het ik-perspectief gemaakt kan worden. Die ervaringen kunnen een passieve aard hebben als gebeurtenissen zich buiten ons voordoen zonder dat we er invloed op hebben of als gedachten willekeurig opkomen, maar ze kunnen ook door ons zelf actief bevorderd worden als we onze zintuigen op bepaalde zaken richten of onze gedachten in een bepaalde richting sturen.

Onze geest is er in het algemeen op gericht om al deze ervaringen te passen in reeds bekende concepten die, als dat lukt, daardoor versterkt worden. Als dat niet lukt doen zich twee mogelijkheden voor: bestaande concepten kunnen uitgebreid worden met nieuwe typen of er worden nieuwe concepten gecreëerd. Concepten die weinig of nooit meer gerealiseerd worden verzwakken vanzelf en kunnen geheel verdwijnen. Het gevolg van dit mechanisme is dat onze voorraad concepten in hoge mate dynamisch is. Concepten worden gecreëerd, verdwijnen weer snel, andere worden juist steeds krachtiger door regelmatige realisatie, ze worden uitgebreid door nieuwe ervaringen en verliezen ook delen doordat de bijbehorende ervaringen zich nooit meer voor doen. De totale conceptuele inhoud van m’n geest is vandaag niet dezelfde als gisteren en zal morgen weer anders zijn dankzij de voortdurende stroom ervaringen, zowel zintuiglijk als niet-zintuiglijk die ons dagelijks bereikt. In 11.2 stelde ik dat we gedurende ons bewuste leven voortdurend gericht op en bezig met het versterken van onze concepten. De these moet dus verbreed worden:

11.4.1. Gedurende ons bewuste leven zijn we voortdurend gericht op en bezig met het versterken en uitbreiden van onze concepten dan wel de creatie van nieuwe concepten


Realisatie van concepten kan dus leiden tot versterking van bestaande concepten, tot aanvulling of aanpassing ervan en tot creatie van geheel nieuwe. Deze drie mogelijkheden tezamen vat ik samen met de term conceptontwikkeling.

11.4.2 Conceptontwikkeling houdt in: versterking, aanpassing en creatie van concepten


Conceptueel zijn we dus steeds actief op de momenten dat we bewust leven. Zo bekeken is onze geest een krachtig presterende conceptenmachine die echter niet altijd en niet in elke situatie op de zelfde kracht werkt. Terwijl we fris en uitgeslapen naar veel indrukken streven en die indrukken bewust verwerken, is die behoefte veel minder als we moe zijn. Vermoeidheid kan ontstaan door lichamelijke arbeid, maar ook door veel indrukken op te doen, zoals bij een gang door een museum of bij het tijdens een conferentie aanhoren van een aantal lezingen waarbij we stil op een stoel zitten. Zo kunnen we in een toestand komen dat we nauwelijks nog nieuwe indrukken willen verwerken. Interessant is dat volgens medisch-biologische gegevens het energieverbruik van de hersenen bij geestelijke inspanning nauwelijks verschilt van het gebruik bij geestelijke ontspanning. Wikipedia zegt daar over:
"Although the human brain represents only 2% of the body weight, it receives 15% of the cardiac output, 20% of total body oxygen consumption, and 25% of total body glucose utilization. (...) The energy consumption of the brain does not vary greatly over time, but active regions of the cortex consume somewhat more energy than inactive regions: this fact forms the basis for the functional brain imaging methods PET and fMRI".

Het lijkt er op dat het verschijnsel, anders dan bij lichamelijke inspanning, niet veroorzaakt wordt door een groot energieverbruik. Maar iedereen kent de intense vermoeidheid die kan optreden bij het bewust verwerken van een grote hoeveelheid informatie in een korte periode. We ondernemen in zo’n geestelijk vermoeide toestand dan graag dingen waar de conceptenmachine niet hard voor hoeft te draaien, een beetje dom televisieprogramma is voor veel mensen ‘s avonds een aangenaam tijdverdrijf, in tegenstelling tot studeren in de avonduren, dat gewoonlijk als extra belastend wordt ervaren. Ook de hond uitlaten of een flinke fietstocht met "het verstand op nul" kan dan weldadig zijn, wat opnieuw duidelijk maakt dat er verschil is tussen vermoeidheid van de spieren en de behoefte aan activiteiten van onze conceptenmachine.

Tijdens het uitvoeren van dergelijke lichte activiteiten doen we natuurlijk nog wel heel veel indrukken op en worden dus veel concepten gerealiseerd, maar op de één of andere manier glijden die als het ware van ons af, we hoeven ons er niet voor in te spannen. Er worden daardoor ook maar weinig bestaande concepten versterkt of gecreëerd. Kennelijk hangt de mate van activiteit van de conceptenmachine samen met de mate waarin we ons bewust op de realisatie van de concepten richten. Echter, ook als we geestelijk of lichamelijk zeer moe zijn door om het even welke oorzaak, blijft onze conceptenmachine, zij het op een laag pitje, toch altijd werken. We kunnen hem niet geheel stil zetten, behalve door te gaan slapen en zelfs dan hebben we nog regelmatig dromen die op tenminste enige activiteit van de machine wijzen.